Wedstrijdverslag Derk Prinsen

Categorieën: Uncategorized

Het is kwart over tien als ik de Konijnenbergerweg opdraai, het adres van Dutch Golf, startpunt voor de trailrun Hattem. Vanuit Holten tot hier hebben de ruitenwissers aangestaan. In de linker- en de rechterberm staan massa’s auto’s geparkeerd, niet van trailrunners, maar van papa’s en mama’s die hun kroost aanmoedigen op de nevengelegen hockeyvelden. Jan Bogaard, de initiatiefnemer van de trailrun, heeft ons bezworen dat er voldoende parkeerplaats zou zijn bij Dutch Golf, dus ik onderdruk de neiging om een gaatje te pakken. En inderdaad, een eindje verderop staat Jan in de regen te ‘zijn’ trailrunners de parkeerplaats op te dirigeren. Dat zegt wat over de aanstichter van deze trailrun: niet te beroerd om in de regen als parkeerwacht op te treden!

 

De 50 km-lopers starten een uur voor de 25 km-lopers (en zij weer een uur voor de 10km-lopers). Als ik het clubhuis van Dutch Golf inloop, zie ik nog niemand, maar dat kan liggen aan het feit dat ik direct doorloop naar de WC voor wat de voorbode zal blijken van wat komen gaat. Rechts van de ingang van het clubhuis staat een tafeltje dat bemenst wordt door een tweetal vriendelijke dames. Ik krijg een startnummer en een handdoek in mijn handen gedrukt, waarop ik vraag wat ik met de handdoek moet. Ik denk aan de regen buiten: zou de organisatie denken dat ik onderweg m’n haren wil drogen? Maar dan blijkt dat de handdoek, met daarop ‘trailrun Hattem – 50 km’ het aandenken is aan deze run.

 

In het clubhuis zit al een groepje runners te loungen in de zithoek bij de open haard. Ik haal een bak koffie en een glas water bij de bar en ga ergens zitten om mijn startnummer op te spelden. Allengs druppelt de rest van het 50 km-lopende smaldeel naar binnen. Dan is het tien voor elf. Ik hang m’n iPod aan mijn arm, trek de veters van mijn schoenen aan en loop naar de bar, waar we volgens Jan onze waardevolle spullen kunnen achterlaten, om m’n autosleutels te droppen. De blik van de barman verraadt dat hij niet van Jans toezegging op de hoogte is; als ik mijn sleutels aanreik, zegt hij bijdehand dat `ie al een auto heeft. Dan komt Jan gelukkig tussenbeide en ga ik verlost van mijn sleutelbos met de andere runners naar de poort van de Dutch-Golfparking voor de start.

 

Het miezert nog steeds als Jan ons uitlegt hoe de trail is gemarkeerd. Ik spits mijn oren, want ik moet er niet aan denken dat ik verkeerd loop. Het deelnemersveld bestaat uit 17 heren en 2 dames; naast mijzelf nog twee Holtenaren, die waarschijnlijk net als ik talloze keren vanaf het uitzichtpunt tussen de Heksen- en de Panoramaweg de Veluwe hebben zien liggen bij goed zicht en zich afvroegen hoe die lange groene bult zich voor trailrunners zou verhouden tot hun gekoesterde ‘achtertuin’, de Sallandse Heuvelrug. Ik slaag er nog net in mijn GPS te resetten en het traillog aan te zetten als Jan met de supporterstoeter het startsein geeft.

 

De kleine groep 50 km-lopers zet zich op in beweging op het fietspad dat ons een goed eind de bossen in voert. Het grootste deel start op – laag – warmlooptempo en loopt op het verharde deel, vermoedelijk om de krachten te sparen. Naast het pad ligt echter een strook kort gras, lekker soggy van de regen, en ik haat asfalt (behalve als ik in de auto zit), dus ik ga naast het pad lopen. Eén van de renners zet een hoger tempo in. Het warmlooptempo gaat mij te langzaam en ik zet de achtervolging in. De gedachte dat ik daar nog spijt van zal krijgen spookt door mijn hooft, maar mijn benen leiden een eigen leven. Ik besef me dat ik in wedstrijdverband altijd harder loop dan als ik in m’n eentje een trainingsrondje loop; wellicht dat de adrenalinekraan dan wat verder open staan.

 

Ik had vergeten dat ik een iPod aan mijn arm heb en dat daar een verse afspeellijst op staat met nummers van o.a. Muse, the Killers en Radiohead, waar ik altijd lekker opgefokt van geraak, en druk op play. Ondertussen loop ik kort op de tempodictator en vraag me af of het eigenlijk niet wat aso is om een praatje bij voorbaat in de kiem te smoren met muziek. Ik zet de iPod maar weer uit om te horen of hij om een praatje verlegen zit, maar dat lijkt niet het geval, of hij heeft het al tevergeefs geprobeerd.

 

We naderen een drukke doorgaande weg, waar we Landgoed Molecaten in gedirigeerd worden door een drietal vrijwilligers. Daar begint het echte werk. De rest van de groep zit inmiddels een metertje of honderd achter ons en. Wat als ik straks blijk te hard van stapel te zijn gelopen en door de andere lopers wordt ingehaald? De iPod staat inmiddels weer aan, dus ik zal ze niet aan horen komen en besluit me niet op te laten fokken en niet achterom te kijken. Toch heb ik angst al vroeg voor mijn spurt aan de start te worden gelogenstraft en zet een tandje bij. Ik heb de tempodictator even achter me gelaten, maar hij komt weer langszij en gaat even later voor me lopen. Mijn benen en mijn longen geven aan dat zijn tempo boven mijn 50 km-tempo ligt en besluit hem los te laten. Ik heb hem nog pakweg een kwartier bij tijd en wijle in het zicht. Daarna is het gat zo groot dat ik het met zijn schoenafdrukken moet doen. Ik kijk op de rechtere paden een paar keer achter me en zie mijn achtervolgers niet. Kennelijk heb ik ondertussen ook wat écart opgebouwd. Verderop in de race zullen één of meer achtervolgers het gat wel weer dichtlopen. Het zij zo.

 

Dan maken zich twee sensaties van mij meester. Ten eerste, wat is dit een verschrikkelijk mooie trail. De variatie is groot. De tocht voert langs lange rechte zandpaden, kronkelige bospaden overgroeid met boomwortels, stijgende en dalende heidepaden, hier en daar zo steil dat ten behoeve van onze senior citizens traptreden zijn gebouwd van spoorwegbielzen. De begroeiing is al even gevarieerd: loof- en naaldhout, heide, hier en daar productiebos maar hoofdzakelijk bos dat aan zijn lot wordt overgelaten. De heidevelden worden intensiever bijgehouden dan op de Sallandse Heuvelrug: geen verdwaald berkje of grof dennetje te bekennen. De bewegwijzering is voortreffelijk: bij iedere afslag hangen één of meerdere blauwe plastic pijlen en voorbij iedere bocht hangen plastic linten die je het vertrouwen geven dat je echt de juiste afslag hebt genomen. Ga er maar aan staan: over 50 km linten en pijlen aan bomen en struiken te hangen om runners op de trail te houden en controleren dat ze op de dag van de race nog goed hangen, maar daarover verderop meer.

 

Ten tweede, het spijsverteringsstelsel begint te bokken. Ik besluit het gebok te negeren; ik ben toch vóór de race naar de WC gegaan? Dan zou ik tijdens de race met rust moeten worden gelaten. Maar het wordt steeds erger. Ik overweeg het struikgewas op te zoeken, maar besluit dat niet te doen. Stel dat mijn gekoesterde écart tussen mij en mijn achtervolgers wordt opgegeten. Of erger: dat ze mij in het struikgewas ontdekken, dat één van hen een review post op dit forum en memoreert hoe hij (of erger: zij) mij heeft aangetroffen. Ondertussen vraag ik mij wel af wat de aanleiding kan zijn voor het ongerief. Zouden het de gellen zijn waarvan ik er inmiddels één met tegenzin heb opgeslurpt?

 

De eerste eet- en drinkpost tref ik aan op 14 km op een T-splitsing. Hier splitst de 50 km-trail zich van de 25 km-trail: ik moet naar links; de 25 km-lopers naar rechts. Zij zullen inmiddels zijn gestart. Eén van de vrijwilligers loopt het pad op: komt daar een runner, ja daar komt een runner! Mijn fles wordt bijgetankt met water. Geweldig dat mensen op jou zitten te wachten. Ik laat al het lekkers en de frisdrank onaangeroerd achter voor de rest van het deelnemersveld. Op het pad ontwaar ik hier en daar de afdrukken van mijn voorganger. Zij zijn de enige: de regen van vannacht en vanochtend heeft alle andere sporen uitgewist en inmiddels zitten we zo ‘ver’ van de bewoonde wereld dat de wandelaars hun voetsporen nog niet hebben kunnen achterlaten.

 

Ik vis mijn gps uit de zak aan mijn heupgordel en kom tot de verassende ontdekking dat ik bijna op de helft zit en dat er nog niet twee uren sinds de start zijn verstreken. Het vermoeden dat m’n tempo aanzienlijk hoger ligt dan op trainingsrondjes wordt bevestigd. Het gevoel op de hielen gezeten te worden, of dat klopt of niet, gekoppeld aan het gevoel afgestraft te zullen worden voor mijn ferme start, geeft me kennelijk vleugels. Daarbij opgeteld het vooruitzicht 25 km in een stuk minder dan twee uur te lopen, doet me besluiten nog een tandje bij te zetten. Die snelle 25 km pakken ze me niet meer af. Ik stop de gps even niet terug in de zak. De 25 km-grens passeer ik in 1 uur en 53 minuten, reden tot vreugde. Dan gaat de gps toch weer in de zak; ik zou me toch niet gek willen laten maken door dat apparaat.

 

Dan doemt de tweede post op. Ik heb braaf de fles weer leeggedronken. Zo gedehydrateerd als ik tijdens de vorige trailrun ben aangekomen, zal me niet nog eens overkomen. Ik klok een bekertje Fanta weg en omdat dat spul dezelfde kleur heeft als de Isostar die ik altijd meeneem (wat een onzinoverweging), besluit ik mijn fles met Fanta te vullen. Nu zal ik de lachers wel op mijn hand hebben, want zodra ik de fles hardlopend terugstop in m’n heupgordel begint de Fanta de bruisen en even later zie ik in spurten een gele fontein rechts van mij uit de fles. Ik haal de fles weer uit de gordel, probeer hem een beetje leeg te drinken, maar het mag niet baten. Ik houd de fles in de gordel: als de prik eruit is, stopt de fontein en gelukkig is er dan nog voldoende Fanta over tot de volgende post. Wel zitten mijn rug en mijn billen onder de plakkerige troep. Hopen dat er nog een regenbuitje komt en de plakkerigheid wegspoelt.

 

In de verte zie ik een grote schaapskudde, die over mijn pad wordt gedreven. Twee mountainbikers staan te wachten tot de kudde voorbij is. Het zal toch niet zo zijn dat ik voor een kudde schapen moet wachten? Gelukkig wijst de eerstvolgende pijl dat ik linksaf moet, voor de schapenkudde. Ik loop eerst langs, dan over een uitgestrekt heideveld. In de verte ligt een schaapskooi. Voorbij de schaapskooi een paar knoestige oude eiken. De darmen spelen intussen steeds meer op. Ik overweeg even de arme grond waar die oude eiken in groeien wat rijker te maken, maar het gebrek aan privacy en het bos waar de pijlen mij naartoe wijzen, doen mij besluiten door te hollen. Eenmaal in het bos aangekomen, duik ik echter in het struikgewas. De opluchting daarna is groot. Dat is één van de leuke dingen van trailrunnen denk ik, zo gelukkig worden van kleine dingen: een steentje uit je schoen halen, je inmiddels onder je voetzolen opgerolde stokken weer straktrekken en… right.

 

Het pad dat ik na de heide volg, maakt een lus. Ik kom geen plastic linten meer tegen en vraag me af of ik niet verdwaald ben. Ik kom aan bij een rustige doorgaande weg met aan de overkant een parking. Nog steeds zie ik geen pijlen of linten. Ik sta op het punt om, met lood in mijn schoenen, want ik haat het om te verdwalen, rechtsomkeert te maken als ik aan de overkant, op de parking, een pijl zie. Gelukkig heeft de opticien wat sterkere daglenzen aan me geleverd, want anders zou ik de pijl niet gezien hebben. Grinnikend speculeer ik dat Jan onze padvinderskunsten op de proef heeft willen nemen. Ik vervolg de trail langs een recht pad, links van mij weiland, rechts bos. Door de opluchting dat ik niet ben verdwaalt, verslapt mijn aandacht en mis ik op een haar na de pijl naar links. Ik mis de schoenafdrukken van nummer één; zou hij rechtdoor zijn gelopen?

 

Dan doemt een flinke zandverstuiving op. Aan de voet van de verstuiving hangt een lint aan een boom. Bovenop de verstuiving is een stok in de grond gezet, waar ook een lint aan hangt. Ok, ik moet eroverheen. Eenmaal bovenop zie ik dat ik me de moeite had kunnen besparen, dat ik er evengoed omheen kon lopen. Maar dat weet je niet als je afhankelijk bent van de pijlen en linten van Jan. Bovendien: de spirit van de trailrun is natuurlijk: eroverheen! Even verderop kom ik bij het Heerderstrand. We worden er rechtsomheen geleid, moeten de weg over, en duiken dan weer het bos in. Intussen heb ik volgens de gps 34 km in de benen en begin ik naar de 42 km-grens toe te leven. Ik weet niet of andere runners het ook zo beleven, maar voor mij is de 42 km-grens toch iets bijzonders. Ik denk van wel, want tijdens de vorige trail, de Laugavegurinn op IJsland, werd ik door een IJslander waarmee ik op dat moment gelijke tred hielt op het passeren van deze ‘magische’ grens geattendeerd met de opmerking: zo, die kunnen we in onze zak steken! Of woorden van die strekking.

 

Kijkend naar de tijd die ik er dan op heb, maakt de opwinding van de 25 km zich weer van mij meester. Ik heb er iets meer dan twee uur en veertig minuten op zitten. Ik doe wat hoofdrekenen: tot dan zit ik op een gemiddelde snelheid van boven de twaalf km per uur. De 8 km die nog voor me liggen zouden dan in twee derden van een uur te doen moeten zijn, ofwel veertig minuten. Dat zou met zich brengen dat ik de 42 km zou passeren in drie uur en twintig minuten, een record voor mij op de trail! De gedachte geeft me nieuwe energie. De gps die ik bij tussenpozen uit de zak vis, geeft aan dat mijn verwachting lijkt uit te komen. Dan begint het bekende loden gevoel in mijn benen te kruipen. Bij 40 km zie ik dat drie uur en twintig minuten niet haalbaar is, maar het scheelt niet veel. Uiteindelijk wordt het drie uur en tweeëntwintig minuten, althans, dat denk ik dan.

 

Nog maar 8 km volgens de gps. Ik zie in de verte de derde eet- en drinkpost. Hé, die post heb ik eerder gezien! Het is de eerste post waar de 50 en 25 km-runners langskomen en waar de 50 km-runners in eerste instantie linksaf moesten, en de 25 km-runners rechtsaf. Ik moet nu ook rechtsaf. Intussen zijn de darmen weer aan het opspelen. Ik steek een doorgaande weg over en duik weer het struikgewas in, in een ditmaal vruchteloze poging het spijsverteringskanaal in het gareel te krijgen. Niet lang daarna, bij het nemen van een bocht naar rechts, zie ik een runner een paar honderd meter achter me. Het zal toch niet zo zijn dat mijn achtervolgers het gat hebben dichtgelopen? Ik realiseer me dat dit het spoor is waar ook de 25 km-runners langs komen en troost me met de gedachte dat het ook één van die lopers kan zijn. Ik krijg er, na zolang alleen te hebben gelopen, wel een spurt energie van een loper achter me te hebben en geef een dotje gas bij.

 

De trail duikt een hobbelig en modderig gedeelte van het bos in, met kleine maar pittige afdalingen en stijgingen. Ik kan de verleiding niet weerstaan om eens even flink door de modder te rossen, want we mogen na aankomst van Dutch Golf douchen in het clubhuis en ik loop me nu al te verkneukelen bij de gedachte dat ik straks met m’n modderige poten door het keurige clubhuis mag, waar dito keurige golfers in geblokte golfbroeken en polo’tjes wenkbrauwfronsend een biertje drinken en een bitterballetje prikken. Verassend snel kom ik bij de laatste post, die ik in eerste instantie niet zo gemakkelijk kan vinden. Hij ligt aan de rand van een diepe zandkuil. Ik vraag ietwat gestrest waar ik naartoe moet: door de kuil! Aan de overkant hangt een touw om me omhoog te helpen. Dan haal ik een wandelende 25 km-runner. Even later nog één, die zo nu en dan nog hardloopt, maar steeds naar wandeltempo terugzakt.

 

Volgens de gps heb ik bijna 50 km in de benen. Met de geur van de stal in de neus zet ik nog een tandje bij, voor zover het in de benen geaccumuleerde lood het toelaat. Ik passeer een indrukwekkende stapel hout, dat klaarligt om gekloofd te worden met een eveneens klaarstaande, niet minder indrukwekkende, kloofmachine. De 50 km passeer ik volgens de gps in drie uur en drieënvijftig minuten. Ik kan mijn ogen niet geloven: 50 km in minder dan vier uur. Dat had ik in mijn stoutste dromen niet verwacht. De finish is echter nog in geen velden of wegen te bespeuren, en twijfel maakt zich van mij meester. Ik stop even om de finish, de golfclub, als bestemming in mijn gps te schroeven. De gps geeft aan dat het nog anderhalve kilometer naar de finish is, maar hij meet de afstand hemelsbreed en de pijlen sturen mij weer het bos in.

 

Erger nog, de pijlen volgend maak ik een lus die me verder brengt van de finish. Ik ben er bijna zeker van dat ik verdwaald ben, temeer omdat ik volgens de gps de 50 km al met minstens een kilometer achter me heb gelaten. Ik vrees dat ik de heenweg opnieuw volg en een afslag naar de finish heb gemist. Die vrees wordt versterkt door het passeren van een hek van Landgoed Molecaten, waar we in het begin van de trail overheen hebben gelopen. Ik herken het pad waar ik langs loop echter niet en langzaamaan realiseer ik me dat de gps er qua afstandsberekening naast kan zitten: een paar kilometer is natuurlijk maar een betrekkelijk kleine afwijking op een vijftig.

 

Geleidelijk aan kom ik volgens de gps, hemelsbreed gemeten, toch dichterbij de finish. De lussen die ik loop zijn, zo bedenk ik me, waarschijnlijk ingepast om de trail op 50 km uit te laten komen. Je kunt het de organisatie niet kwalijk nemen, want niet iedere runner is zo idioot om zo vaak naar zijn gps te staren als ik en het bos waar de laatste kilometers je doorheen voeren zijn de moeite waard.

 

Dan loop ik het bos uit en kom ik in een bosrijke villawijk. De gps geeft aan nog een paar honderd meter tot de finish. Ik draai een weg op die ik als de Konijnenbergerweg herken. De auto’s van hockeymoeders en -vaders bevolken de berm nog steeds. Twee golfers staan op de weg te kijken wie er aan komen. Ze zien me twijfelen waar ik moet zijn en gebaren me naar de ingang van het golfterrein. Daar staat een dame op met te wachten met de finishklok, onder een parasol tegen de regen. Ze noteert mijn tijd op vier uur en elf minuten, vier minuten achter nummer één, die ik aan het einde van de parking richting clubhuis zie banjeren. De teleurstelling dat mijn gps mij voor het lapje heeft gehouden qua afstand (bij de finish wijst hij 53,1 km aan, terwijl het er volgens Basecamp 49,6 zijn), wordt meer dan goed gemaakt door het feit dat mijn voorganger het gat niet groter heeft gemaakt dan vier minuten.

 

Ik ben nog warm en dorstig van het lopen. Bij de finish staat een vijfde post met eten en drinken. Terwijl ik een paar bekertjes water drink, komt Jan Bogaards rechterhand, de man van de trailbewegwijzering aan op zijn ATB. Ik complimenteer hem om de duidelijke bewegwijzering. Hij heeft de pijlen de dag ervoor nog gecontroleerd en dat is maar goed ook. Een paar grappenmakers heeft pijlen omgedraaid. Dat was echter meteen duidelijk, omdat de reclame op de wijzers op de kop stond. Eén van de trailvandalen had de pijlen echter zo verhangen, dat wij in een rondje terecht zouden zijn gekomen, als de organisatie het niet zou hebben opgemerkt.

 

Ik vind de Trailrun Hattem zeer de moeite waard. Hij is kleinschalig en nuchter; het inschrijfgeld is laag: EUR 17,50. Geen gelikte start en finish en prima gelegenheid om te douchen, om te kleden, wat te eten en te drinken na afloop (bijvoorbeeld een bitterbal), de auto te parkeren en een organisatie van twintig vrijwilligers die met groot enthousiasme eet- en drinkposten bemensen, EHBO-ers leveren en de trail van bewegwijzering voorzien en controleren. Jan en vrijwilligers: hartelijk dank voor een onvergetelijke trailrun. Ik ben vast van plan volgend jaar april weer mee te doen.

One Response to "Wedstrijdverslag Derk Prinsen"

  1. Wolter Geplaatst op september 27, 2014 om 18:48

    Zo Derk, dit leuke verhaal zorgt voor hoge verwachtingen over onze titanenstrijd in de bossen van de Veluwe vandaag ; )

    Groet, Wolter

Geef een reactie